RK De Goede Herder parochie
Emmen en Erica

Welkom bij de R.K. geloofsgemeenschap van Emmen en Erica

De Goede Herder parochie wil een vindplaats zijn. Een plek waar het christelijk geloof gevonden en beleefd kan worden. Een plaats waar God aan het licht kan komen.

WOORD VAN DE PASTOOR of PASTOR
Gewijzigd:01-11-2018

OPENINGSARTIKEL VAN DE PASTOOR

Tante Stien

Een tijdje geleden kwam een kennis met een grote grijns bij mij thuis van de wc.
“Wie is S. Bergman-Buter”, vroeg hij. “Hoe kom je daar nou bij?”, was mijn verbaasde antwoord.
Hij vertelde dat op het handdoekje naast het fonteintje een label was genaaid met die naam er op.
“O, dat is tante Stien”, een zus van mijn opa”, verklaarde ik.

Tante Stien woonde met haar man vlakbij de flat waar mijn opa en oma Buter ook woonden. Als we daar in mijn jonge jaren op bezoek gingen, liepen mijn zusje en ik dan vaak even binnendoor naar hen toe. Meestal om even wat te drinken en moppen te vertellen. Dat het telkens dezelfde moppen waren was
niet erg, ze waren ze toch altijd al weer vergeten.
We noemden ze oom Eildert en tante Stien, hoewel ze helemaal geen oom en tante waren.
Stien was een oudere zus van mijn opa en ze hadden veel contact met elkaar, zeker toen oom Eildert door een val met een fiets een hersenbeschadiging had opgelopen, wat zijn functioneren danig beperkte.

Toen Eildert overleed kwam tante Stien alleen te staan en toen ook haar gezondheid slechter werd, werd ze opgenomen in een verzorgingshuis. Daar werd op al haar wasgoed een label genaaid met haar naam er in. Na haar overlijden in 1997 kwam haar stapel wasgoed op de een of andere manier in mijn huishouden terecht en daar wordt het nog dagelijks gebruikt.
Stien was een dochter van Jan Buter en Riekeltje Buter-de Vries. Riekeltje kreeg op haar 23e verjaardag, 20 december 1893 een Bijbeltje van haar oom.
“Tot een geschenk gegeven van onzen Oom Klaas” staat er in oud handschrift op de eerste bladzijde. Riekeltje moet een gelovige vrouw zijn geweest, er staan zelfs enkele aantekeningen in het boekje, maar in het leven van haar dochter Stien (en van haar broer, mijn opa) heb ik daar nooit een spoor van teruggezien.
Het Bijbeltje ligt bij mij thuis in een la te wachten op de eeuwigheid. Nou ja, Bijbel, eigenlijk is het alleen het Nieuwe Testament. “Al de boeken des Nieuwen Verbonds van onzen Heer Jezus Christus, 1885.”
Op de laatste bladzijde lees ik: “Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde, de eerste en de laatste. Zalig zijn ze die zijne geboden doen, opdat hunne magt zij aan den boom des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad.”

Begin november vieren we Allerzielen en denken we aan allen die ons in de dood zijn voorgegaan. Waar zullen ze nu zijn? In de hemel? Houden we nog rekening met hel of vagevuur, of hebben we die naar het rijk der fabelen verbannen? “Maar buiten zullen zijn de honden, en de toovenaars, en de hoereerders, en de doodslagers, en de afgodendienaars, en een iegelijk die de leugen liefheeft en doet.” Het oude Bijbeltje weet er wel raad mee!
Waar zijn uw lieve doden? Waar zal tante Stien nu zijn? Ze leeft voort in mijn dagelijks leven. Haar naam kom ik tegen, heel gewoon, het valt me al nauwelijks meer op, op mijn kussensloop, handdoeken en washandjes. Zal ze een plaatsje innemen in de hemel? Vast wel.
Jezus zegt: “In het huis van mijn Vader is ruimte voor velen.”

Gelukkig maar…

pastoor Buter